|
vreemdachtig wandelend
op adem van gisteren
toen het water nog leefde
de warmte nog vloeide
over mijn huid
de dag nog geverfd was
in roekeloos rood
verdronken in heilige kou
en doodstille nevel
september
gloeiende handen
nog zochten naar
dorstige tongen
verstrengeld met
vleugels van zweet
verbonden de wonden
in schaduw van wimpers
slechts schijn
als het vuur van
een bloem van de zon
zo kijk ik naar morgen
in 't wit van jouw ogen
op adem van toen
 |